Home » Vincent Brümmer » Resensie: Vincent Brümmer, Vroom of regsinnig?

Resensie: Vincent Brümmer, Vroom of regsinnig?

Teologie in die NG Kerk (Wellington ZA: Bybel-Media, 2013)

ISBN: 9780864877178

Bladsye: 282

Prys: R150.00

Outeur: Vincent Brümmer

Resensent: Gijsbert van den Brink

In dit boek bespreekt Vincent Brümmer, emeritus hoogleraar godsdienstwijsbegeerte aan de UU, de theologische debatten in de Nederduits Gereformeerde Kerk te Zuid Afrika vanaf het midden van de 19e eeuw tot 1932. Die debatten werden vooral gevoerd door en rondom hoogleraren en alumni van de “Kweekschool”, de latere theologische faculteit van de Universiteit van Stellenbosch, zodat Brümmer met dit boek ook een belangrijke bijdrage levert aan de geschiedschrijving van zijn alma mater. Het is echter niet slechts geschiedschrijving wat Brümmer voor ogen staat. Veeleer neemt hij de door hem besproken posities zo serieus, dat hij zich er ook zelf toe verhoudt. Het boek wordt daardoor nergens abstract of afstandelijk.

Brümmer maakt onderscheid tussen kerkleiders van het eerste uur als Andrew Murray en Nicolaas Hofmeyr, die zich in Utrecht en Schotland theologisch hadden laten vormen, en een latere generatie voornamelijk te Princeton en Amsterdam (VU) opgeleide theologen. Beide stromingen wilden rechtzinnig zijn, maar bij de eerstgenoemden stond rechtzinnigheid in dienst van de vroomheid, dat wil zeggen van het geleefde geloof, opgevat als persoonlijke liefdesverhouding tot God.  Bij de laatsten was rechtzinnigheid een doel op zichzelf geworden, waardoor men zich hard ging opstellen jegens hen die de orthodoxe leer niet tot achter de komma onderschreven. Daarvan werd één van de hoofdrolspelers in dit boek het slachtoffer: de uiterst intelligente theoloog Johannes du Plessis (1868-1935), die bepaald geen modernist was, maar zich wel serieus rekenschap gaf van het hermeneutisch probleem, d.w.z. van de taak om het evangelie in (m.n. door de opkomst van de wetenschap) sterk gewijzigde contexten te vertalen. Du Plessis’ denken werd de inzet van felle debatten, die uiteindelijk in 1932 (Brümmers geboortejaar) tot zijn ontslag aan de Kweekschool leidden.

Interessant is dat Brümmer ook de invloedslijnen traceert die vanuit Nederland naar de Kaap en Transvaal liepen. Zo verbindt hij de lijn Murray-Hofmeyr-Du Plessis met de ethische richting, en hun confessionalistische tegenstanders (F.J.M. Potgieter, J.D. Vorster e.a.) met het neo-calvinisme. Daarbij gaat het er hier en daar wat zwart-wit aan toe (Kuyper was bijv. geen intellectualist, maar had ook een zeer mystieke kant; en Du Plessis laat zich niet zomaar op één lijn plaatsen met Murray, getuige de stevige debatten die zij met elkaar voerden). Het punt dat Brümmer wil maken is echter helder en wat mij betreft volstrekt overtuigend: er gaat in kerk en geloof veel mis zodra rechtzinnigheid losgemaakt wordt van de persoonlijke omgang met Christus (Murray) en de concrete ervaring van het kindschap van God (Hofmeyr). Geloof is een zaak van ‘lewensondervinding’ (25). Met een fraai bon mot dat Brümmer bij Chesterton vond: het geloof is niet ‘a thing like a theory’, maar ‘a thing like a love affair’. Ofwel: God wil niet begrepen worden, maar bemind. Zeer persoonlijk wordt het boek als blijkt dat ook Brümmers eigen voorgeslacht een rol speelde in de theologische debatten in de NGK, en wel als Du Plessis-ondersteuners.

Brümmer is dus ook bezig met zijn spirituele genealogie! Impliciet plaatst hij zichzelf in de lijn van de ‘ethische’ spiritualiteit van zijn voorgeslacht. Voor mij verheldert dat hoe Brümmer destijds een goede ingang kon vinden aan de Utrechtse theologische faculteit, die immers lange tijd door de ethisch-irenische en apologetische richtingen gestempeld was. Methodisch ging Brümmer geheel eigen wegen in de (wijsgerige) theologie, die overigens zeer vruchtbaar zouden blijken, maar spiritueel vond hij wel aansluiting bij de atmosfeer aan de faculteit. Ten slotte: de titel van dit zeer informatieve boek doet (ook in Zuid Afrika) nogal wat wenkbrauwen fronsen; Brümmers reactie dat het om een vráág gaat, is in die zin niet bevredigend dat de vraag een disjunctie behelst, alsof men tussen vroomheid en rechtzinnigheid zou moeten kiezen (het ‘of’ kan immers niet conjunctief opgevat worden, als in Spinoza’s Deus sive natura). Wat Brümmer feitelijk wil zeggen is: “vroom, en dáárom rechtzinnig”.